Tijdens de jaarlijkse Algemene Statutaire Ledenvergadering werd David Van Reybrouck verkozen tot nieuwe voorzitter van PEN Vlaanderen. Hij volgt Geert van Istendael op die de voorbije jaren het gezicht was van onze vereniging. Samen met van Istendael verlieten ook Ingrid Vander Veken en Suzanne Binnemans het bestuur.
"PEN is dit jaar negentig jaar oud en de strijd voor vrijheid van meningsuiting is nog niet voorbij. We zullen moeten blijven vechten, niet alleen om te mogen zeggen wat we willen, maar om te mogen horen wat anderen willen zeggen. PEN is geen megafoon van het grote eigen gelijk, maar een klankkast voor dialoog." Tijdens zijn openingsrede liet David van Reybrouck er geen twijfel over bestaan: hij neemt het voorzitterschap heel ernstig.
In de eerste plaats wil hij PEN Vlaanderen meer zichtbaarheid te geven. Samen met Jeroen Theunissen (die hij vroeg om vice-voorzitter te worden) zal hij maandelijks een dreigbrief schrijven in het maandblad MO*, gericht aan figuren die hen sympathiek lijken, maar waarvan het engagement bij nader inzien toch een problematisch kantje blijkt te hebben, zoals Bono of Julian Assange. Bovendien wil hij dat PEN ook weegt op de Europese instellingen die op vlak van mensenrechten veel zeggingskracht hebben. Ten slotte wil hij de Antwerpse PEN-schrijversflat, die de voorbije jaren door Ingrid Vander Veken schitterend op de kaart werd gezet, verder laten uitgroeien als een vrijhaven voor vervolgde schrijvers.
Lees hier zijn interview terzake in De Morgen of beluister het gesprek op Radio 1. Ook berichtgeving op de redactie.be.
Geert van Istendael wordt dus opgevold door David Van Reybrouck, maar er zijn nog verschuivingen in het bestuur. Suzanne Binnemans was sedert 2000 penningmeester; haar taak wordt overgenomen door Xavier Roelens. Ingrid Vander Veken vervoegde het PEN-bestuur in 2001 als secretaris, zij was zowel beheerder van de PEN-Schrijversflat als vice-voorzitter. Sven Peeters neemt van haar het beheer van de PEN-Schrijversflat over, Jeroen Theunissen het vice-voorzitterschap.
Het huidige bestuur van PEN Vlaanderen: David Van Reybrouck, Jeroen Theunissen, Wim Geysen, Hilde Keteleer, Sven Peeters, Guy Posson, Xavier Roelens, Karel Sergen en Bart Van Loo.
Afgelopen zaterdag namen we afscheid van voorzitter Geert van Istendael en de bestuursleden Suzanne Binnemans en Ingrid Vander Veken. Op de statutaire ledenvergadering bracht bestuurslid Bart Van Loo hen hulde.
"Goede wijn behoeft geen krans, maar nu onze strijdmakkers, onze drie musketiers het veld van eer verlaten, mag dat niet onopgemerkt voorbijgaan. Zei ik daar drie musketiers? Dat is geen arrogante literaire knipoog noch een flauwe romantische reminiscentie: vadertje Dumas zou me niet tegenspreken wanneer ik stel dat Ingrid de levenslustige bonhomie van Porthos hoog in het vaandel draagt, dat Suzanne de vaderlijke eerlijkheid van Athos niet ongenegen is en dat Geert de listige intelligentie van Aramis incarneert. (...)
U kunt de volledige toespraak van Bart Van Loo hier lezen.
Benno Barnard, schrijver, zou een lezing geven voor een vrijzinnige vereniging. Plaats: een aula van de Universiteit Antwerpen. Titel van de lezing: Leve God! Weg met Allah! Na nauwelijks twee minuten werd hem het spreken belet door een veertigtal aanwezigenonder de kreten van Allah Akbar. Zij bestormden het podium. Benno Barnard, die door de politie gewaarschuwd was, had op eigen houtje een kleine lijfwacht georganiseerd. Had die er niet gestaan, dan lag hij nu in het ziekenhuis.
Benno Barnard is mijn beste vriend, al meer dan een kwart eeuw. Maar ik spreek hier niet als vriend. Ik spreek hier als schrijver. Ik spreek hier als voorzitter van PEN-Vlaanderen.
PEN verdedigt wereldwijd, in meer dan honderd landen is dat, het vrije woord. Zolang ik al voorzitter ben van de Vlaamse afdeling heb ik er nooit, maar dan werkelijk geen enkele seconde, aan gedacht dat ook in mijn land het vrije woord weggebruld zou worden. Dat lieden die het niet eens zijn met woorden die ze zelfs nog niet hebben gehoord, die ze niet wíllen horen, vastberaden en massief zouden proberen een schrijver aan te randen.
Tien jaar geleden, nee, vijf jaar geleden, ach nee, nog maar een paar maanden geleden zou iedereen aan wie je dit voorspelde, in smakelijk geschater zijn uitgebarsten. Bij ons? In vredelievend België? In gezapig Vlaanderen? Je bent op je kop gevallen. Je lijdt aan acute islamofobie. Vijanden zouden zeer overtuigd hebben geroepen: je bent een bange, blanke man. Je bent een aftandse paternalist. Je bent een racist.
Eergisteren was het, helaas, duizend keer helaas, verdomd nog aan toe, eergisteren was het zo ver.
Ik hoor nu al, ja ach, die Benno toch, maar zijn titel was toch echt wel een provocatie. En wat dan nog? In die logica mag ik iemand te lijf gaan omdat die iemand iets zegt, cq. zal zeggen, wat mij misschien niet aanstaat. Ik wil de zaken hier duidelijk stellen.
Eén. Iedereen heeft het recht te provoceren. Iedereen heeft het recht Jezus Christus, Allah, Jahweh, Boeddha, Mohammed, de Paus en ga zo maar door, te beledigen. Iedereen heeft het recht alle mogelijke goden ter wereld te belasteren. Dat staat iedereen van ons vrij. Wie die rechten wil beperken, levert zich met handen en voeten gebonden over aan de willekeur van de eerste de beste schoft die zin heeft om de grote verongelijkte uit te hangen. We hebben sinds enige tijd een oude wijsheid opnieuw geleerd: Wat in mijn ogen een onschuldig woord is, wordt in de ogen van de ander een bloedige belediging die alleen met de dood kan worden uitgewist.
Twee. Niemand heeft de plicht te provoceren, te beledigen of God en de goden te belasteren. Het staat iedereen van ons vrij dat niet te doen.
Drie. Wat deze zaak betreft: niemand hoeft het met Benno Barnard eens te zijn. Maar je luistert naar zijn argumenten, ook al ergeren ze je, je geeft tegenargumenten, je gaat, kortom, de discussie aan. Die discussie kan fel zijn, kan zelfs onaangenaam hard zijn en je kunt het achteraf nog even oneens zijn als tevoren. Je spreekt tegen, maar je belet nooit de ander te spreken. Gekrijs kan nooit het democratische debat vervangen. Voor de lieden die Benno Barnard aanvielen, is echter het debat zelf een gruwel.
Vier. In mijn opvatting stoelt democratie op het beschaafd georganiseerde meningsverschil. Wat met Benno Barnard is gebeurd, heeft een naam. Het heet barbarij. Het is de barbarij van een stoottroep binnen een wereldgodsdienst die vindt dat je overspelige vrouwen moet stenigen, dat je homo's en afvalligen mag vermoorden en dat de sharia toegepast dient te worden op heel de wereld. Voor wie mij niet gelooft, ga kijken naar hun webstekken, binnenlandse webstekken trouwens, en lees.
Vijf. Ik weiger aan te nemen dat mijn oppassende, hard werkende islamitische medeburgers, in mijn kennissenkring, in mijn stad, in mijn land, al die metrobestuurders, leraressen, bakkers, advocaten, vakbondsmensen en ga zo maar door, deze ongehoorde brutaliteit van hun geloofsgenoten goedkeuren. Ik weiger aan te nemen dat zij de verworvenheden van de Belgische democratie willen vernietigen. Ik weiger aan te nemen dat zij alleen willen samenleven met de andere Belgen op voorwaarden gepropageerd en verspreid door de fanatiekste duisterlingen die misbruik maken van hun godsdienst.
De vrijheid van meningsuiting, de scheiding van godsdienst en staat, de gelijkheid van man en vrouw, dat alles verdient verdediging. Het was zo evident dat we er niet langer bij nadachten. Sinds eergisteren moeten we zeggen: dat alles heeft dringend verdediging nodig. Wij moeten de democratische rechtsstaat verdedigen met alle democratische middelen die ons ter beschikking staan. Het is de hoogste tijd.
Met deze lieden praat je niet, tegen deze lieden vecht je. Wie zei dat ook alweer? Winston Churchill. Hij had het over de nazi's.
Het zit erop. Gerd Segers is in Flagey zijn prijs komen afhalen. Ontroering, woorden en wijn. Het was mooi. Hieronder krijgt u alles nog eens op een rijtje. Gewoon klikken en u komt terecht waar u moet zijn.
Zouden ze nog bestaan, die bordjes in spoorstations en bij overwegen: Opgepast! Een trein kan een andere verbergen, un train peut en cacher un autre? Daaraan heb ik moeten denken tijdens het schrijven van deze kleine lofrede. Want als je de staat van dienst van Gerd Segers overloopt, springen telkens weer nieuwe feiten tevoorschijn uit het verborgene en ze zijn stuk voor stuk verrassend.
Kunt u het zich bijvoorbeeld voorstellen dat Gerd Segers ooit het boek geschuwd heeft? Dat hij gedichten bij voorkeur liet afdrukken op behangpapier of op reclamezuilen? Dat hij er zelfs puzzles van maakte?
De naam Gerd Segers is zowat synoniem met die van het tijdschrift Revolver. En zeker vanaf het wonderjaar 1968 is dat tijdschrift zowat synoniem met nieuw-realisme. Weet u, er zijn van die verwantschappen die je niet vermoedt en die toch ver teruggaan in de tijd. Het moet in dat jaar zijn geweest, dat ik van mijn spaarcenten een pocketboekje kocht, Penguin Modern Poets nummer 10. Het had ook een titel: The Mersey Sound en er stond werk in van drie dichters, Adrian Henri, die alweer negen jaar dood is, Roger McGough en de jongste, Brian Patten. Ze waren voor mij fascinerend, niet in de laatste plaats omdat ze uit Liverpool kwamen. Roger McGough zou trouwens dialogen hebben geschreven voor de film The Yellow Submarine. Wie schetst mijn verbazing toen ik ontdekte dat Gerd Segers en bijgevolg ook Revolver diepgaand beïnvloed was door de bewonderde drie.
Een andere niet geringe invloed was Jan Vanriet, schilder en dichter. Hij zal talloze kaften van Revolver ontwerpen. Gerd Segers ging samenwerken met schilders als Roger Raveel en Raoul de Keyser. Dichters als Herman de Coninck en Roland Jooris stonden hem terzijde. Bekijk die hele reeks namen eens rustig en laat nu maar uw mond openzakken.
Al dat schel gekleurde nieuwe realisme heeft Gerd Segers niet belet om themanummers van Revolver te wijden aan dichters van heel andere obdeiënties, Hugues C. Pernath bijvoorbeeld, Karel van de Woestijne, Leonard Nolens en, dit vind ik werkelijk schitterend, Hadewijch. Dichters die andere dichters de toegang tot hun school ontzeggen, bederven de stiel. Niet aldus Gerd Segers.
PEN is trouwens niet de eersten die de uitzonderlijk hoge kwaliteit van Revolver onderkent. Meer dan tien jaar geleden kreeg het blad al de Literaire Prijs van de stad Antwerpen. En voor al wie het nogal voorspelbaar vindt dat Antwerpenaars Antwerpenaars bekronen, even dit: toen Revolver 35 jaar oud was, werd dat heuglijke feit gevierd met een tentoonstelling en een literair evenement in de Radboud Universiteit Nijmegen.
Ik had de eer en het onversneden genoegen Gerd Segers te leren kennen toen hij het internationale poëziefestival Dichters in het Elzenveld organiseerde, jaar in jaar uit. Je werd altijd weer genereus ontvangen - of moet ik zeggen omhelsd? De programma's mocht je altijd rekenen bij de internationale top. Vanzelfsprekend traden Vlamingen en Nederlanders op - de eenheid van ons taalgebied is nooit een punt geweest voor Gerd Segers. Maar het is PEN niet ontgaan dat Gerd Segers naast hen steeds opnieuw dichters uitnodigde die in hun eigen land niet meer welkom waren of, duidelijker gezegd, in de kerker werden geworpen. Breyten Breytenbach uit Zuid-Afrika, Jack Mapanje uit Malawi, uit China Duoduo en Bei Dao, Faraj Bayrakdar uit Syrië, er zijn er veel meer. Eén herinnering die me nog steeds ontroert, wil ik u niet onthouden. Dankzij Gerd Segers had ik het voorrecht om vlakbij deze onbeschrijflijke mooie ontmoeting te staan: de omarming en het gesprek van Breyten Breytenbach en de stokoude Franse dichter Guillevic.
Zoals alle waarlijk groten in de literatuur schuwt Gerd Segers de drobná práce, de kleine arbeid niet, het werk dat op weinig publieke belangstelling, laat staan dankbaarheid kan rekenen en dat toch zo belangrijk is. Zo was hij voorzitter van de Antwerpse Middagen van de Poëzie, zo zetelde hij in de werkgroep buitenland van het Vlaams Fonds voor de Letteren en in de werkgroep voor aankopen van kunst van de Provincie Antwerpen. Maar zijn naam blijft toch voor alles verbonden met die onvergetelijke avonden en nachten van Poëzie in het Elzenveld en met zijn even onvergetelijke levenswerk, het tijdschrift Revolver.
Zeg nu zelf, kon het bestuur van PEN-Vlaanderen zijn tweejaarlijkse prijs niet toekennen aan Gerd Segers? U hebt de argumentatie gehoord, zij is onweerlegbaar.
Ik ben ervan overtuigd dat ook onze trouwe sponsor, Mevrouw Inge Geerdens en haar bedrijf CVWarehouse, die helaas vanavond zelf niet onder ons kan zijn, het daar helemaal mee eens is. Creativiteit, bestendig zoeken, bescheiden ambitie, laten we aannemen dat zoiets bestaat, het zijn eigenschappen die zij deelt met onze prijswinnaar. Terreinen verschillen, de roep verschilt niet.
Gerd Segers heeft een zachte, desondanks onmiskenbaar Antwerpse stem. Gerd Segers kent het geheim van de permanente glimlach, niet die van de reclame, mijn God, met tandpasta heeft dit niets te maken, nee, Gerd Segers heeft de glimlach van de Chinese wijsgeer Lao Tse, de oude man op de os. Ook dat was een dichter, en wat voor een. Ik hoop dat Gerd Segers die glimlach nog lang mag behouden.
Helaas, dames en heren, ik móét deze laudatio wel besluiten in mineur. Het is afgelopen met Revolver. Na 42 jaar. Het aller-, maar dan ook het allerlaatste nummer van het tijdschrift verschijnt deze maand. In de focus staat de Nederlandse dichter Van der Graft.
Revolver is het slachtoffer geworden van ons Ministerie van Financiën. En men begrijpe mij niet verkeerd, ik ga hier niet even goedkoop staan schelden op onze hoge belastingen. Ik, als kleine zelfstandige, ben een groot voorstander van hoge belastingen, omdat naar mijn mening de hedendaagse Europese beschaving zonder hoge belastingen ten onder gaat.
Maar hier gaat het, o paradox, om lagere belastingen. Ik bedoel, de roerende voorheffing van 15% op de auteursrechten. Die maatregel is natuurlijk voor ons, auteurs, bijzonder voordelig, maar hij doet heel wat literaire tijdschriften krommen onder de last van administratieve rompslomp. Vooral buitenlandse auteurs, ook Nederlanders, worden gedwongen formulieren in vier talen in te vullen en dan allerlei officiële stempels te halen, willen ze hun zuurverdiende centen ook echt ontvangen. Het tijdschrift Revolver heeft altijd geprobeerd Nederlandse en Vlaamse auteurs te behandelen op gelijke voet. Dat kan nu niet meer. Ik wil nou niet beginnen te zeuren over 1830 dat er beter nooit geweest was, natuurlijk was het er beter nooit geweest, maar het is toch moeilijk te begrijpen dat een wet die specifiek op auteurs is toegesneden elementaire gegevens als de eenheid van taal en literatuur negeert.
Het lijkt daarbij wel een trend te zijn, steeds meer overheidstaken die vroeger door ijverige ambtenaren stipt werden uitgevoerd, worden afgewenteld op de burger. Er zijn managers die willen dat iedereen zich zou gedragen als een manager. Er zijn blijkbaar belastingambtenaren die zouden willen dat iedere belastingplichtige zich gedraagt als een ambtenaar. Zou het niet billijk zijn van de inspecteur te eisen dat hij de boekhouding van de dichter niet mag controleren voor hij een volmaakt sonnet van eigen makelij heeft voorgelegd. Dat is toch geen onredelijke eis. We hebben al een president die haikoe's schrijft.
Ik vind het zonde en jammer, Gerd. Zou je niet eventueel kunnen overwegen om er misschien toch mee door te gaan? Wat je ook doet, ik wens je uit de grond van mijn hart geluk, want je hebt deze prijs meer dan verdiend. En nog vele poëtische jaren.
Het vrije woord staat onder druk. Sterke krachten zijn aan het werk om het te beknotten. In de UNO proberen coalities van landen hardnekkig om kritiek op religie aan banden te leggen. In de Verenigde Staten betwisten voor- en tegenstanders van de evolutieleer elkaar het recht van spreken. In eigen land worden schrijvers die zich afzetten tegen bepaalde vormen van nationalisme gebrandmerkt als vervreemd van het volk.
PEN vecht al meer dan tachtig jaar wereldwijd voor de vrijheid van het woord. Daarom wijdt PEN Vlaanderen zijn dispuut dit jaar aan de vraag: zijn er grenzen aan het recht op vrije meningsuiting? Met ondere andere Karl van den Broeck en Marjolijn Februari. Moderator: Gudrun de Geyter van Klara. De avond van het dispuut wordt ook de PEN-prijs uitgereikt. En die gaat dit jaar naar... kom luisteren en kijken. U zult verrast zijn.
Debat met Bas Heijne, Karl van den Broeck, Liesbeth van Impe en Marjolijn Februari. Moderator: Gudrun de Geyter.
Geert van Istendael spreekt een laudatio na de uitreiking van de PEN-prijs.
De Pen-prijs wordt gesponsord door Inge Geerdens, oprichtster van CV Warehouse.
PEN-Vlaanderen lanceert met Gekooid.be een nieuwe website om de aandacht te vestigen op schrijvers en journalisten die bedreigd, vervolgd, gevangen gezet of vermoord worden. In eerste instantie mikt PEN-Vlaanderen met de site op middelbare scholen. Leerkrachten en leerlingen vinden er informatie, beeldmateriaal en een aanklikbare wereldkaart (illustratie). Door middel van online filmpjes lezen dertien Vlaamse schrijvers een tekst van een bedreigde of vermoorde collega voor. PEN-Vlaanderen wil met de "gerichte actie leerlingen (+15) bewuster maken van de moed die een aantal schrijvers en journalisten opbrengen door aan de inhoud van hun teksten vast te houden. Vaak zijn ze een spreekbuis van onrechtvaardig bedeelde anderen. Ze lopen daarbij meer dan eens gevaar om letterlijk van hun vrijheid beroofd te worden."
Bij de Vlaamse schrijvers en publicisten die meewerken onder meer Johan de Boose, Bart Van Loo, Hilde Keteleer, Jeroen Theunissen, Ingrid Vander Veken, Lucienne Stassaert en Joris Gerits. Ze lezen teksten voor van Anna Achmatova, Breyten Breytenbach, Ken Saro-Wiwa, Nâzim Hikmet, Zargana, Primo Levi en anderen. Initiatiefnemers van Gekooid.be zijn Wim Geysen, Sven Peeters en Karel Sergen. Het project wordt morgen maandag 9 november voorgesteld in het Vredescentrum te Antwerpen tijdens de studiedag 'Oorlogen en conflicten in de klas, leerkansen en valkuilen'. Komende zondag 15 november zullen Wim Geysen en PEN-voorzitter Geert van Istendael het project ook presenteren op de Dag van de Gevangen Schrijver in het Brusselse Bozar.
De nieuwe PEN-tijdingen is verschenen. Telkens nodigen we een gastauteur uit om een stuk te schrijven. Deze keer hebben we het niet ver van huis gezocht: voorzitter Geert van Istendael bericht over de predikant Martin Weskott, die tijdens de soms wel erg volledige pogingen om alles op te ruimen wat maar een beetje aan de DDR herinnerde, duizenden boeken heeft gered.
Ik was er jaren geleden heen getrokken omdat ik het met mijn eigen ogen wilde zien. Wilde geruchten deden de ronde, barbaarse verhalen over honderdduizenden boeken die op vuilnisbelten en in bruinkoolgroeven lagen te rotten, allemaal op het grondgebied van de zopas schielijk overleden staat die zichzelf veertig jaar lang trots Duitse Democratische Republiek had genoemd. Die naam kennen de meesten van ons nog wel. Weinigen kennen de andere naam die de Oost-Duitse republiek, dat kleinere Duitsland, dat rode Pruisen, gekregen had van zijn niet zo erg geliefde leiders: Leseland. Het regime was nogal bedreven in de kunst van het liegen, maar dit was geen leugen. De DDR produceerde gigantisch veel boeken, de bijdrage die Oost-Duitse schrijvers leverden aan de literatuur moet je zonder meer indrukwekkend noemen, romans, verhalen, essay, theater, poëzie. Het mooist van al vond ik de kinderboeken. De Berlijnse Muur viel op 9 november 1989. De DDR verdween. Ook alles wat aan de DDR herinnerde moest en zou met haar verdwijnen. Tafels, stoelen, bedden, appels, broodjes, shampoo, broeken, rokken, chocola, mosterd, volkseigen bedrijven, auto’s. Alles. Dus ook boeken. De DDR had een centraal boekhuis bij Leipzig. De boeken moesten er stante pede weg, de gebouwen waren gekocht door een West-Duitse brouwer. Alle Oost-Duitse bedrijven waren trots op hun fraaie bibliotheken. Kameraad arbeider had recht op schone letteren. Weg ermee. Alle scholen kregen West-Duitse handboeken. Alle gerechtshoven kregen West-Duitse wetboeken. Ieder Oost-Duits druksel was een schandvlek. Zelf heb ik de boeken op belten niet gezien. Iemand was me voor geweest. Een kabouterachtige lutherse predikant uit het dorp Katlenburg, wel vlak bij het Ijzeren Gordijn gelegen, maar onmiskenbaar West-Duits. Hij liet kleine vrachtwagens naar de Oost-Duitse storten rijden. Hij schepte de boeken bij honderden, bij duizenden van tussen het huishoudelijk afval. Romans van Heinrich Mann. Brieven van Mozart. Fabels van Aesopus. Gedichten van Seifert. Kortom vuilnis. Die predikant heet Martin Weskott. Zijn kerk staat op een heuvel. Ook op de heuvel, naast de kerk, zie je een kolossale tiendenschuur, een prachtig, boers gebouw, waar monniken in de middeleeuwen het graan opsloegen dat de pachters hun verschuldigd waren. Daar heeft Martin Weskott de vermaledijde boeken een schuilplaats gegeven. Ik zag in die schuur geen stapels, geen hopen, ik zag bergen boeken. Er lag trouwens lang niet alleen literatuur. Hij liet me een handleiding zien voor het onderhoud van Trabantjes. Daar bieden verzamelaars grof geld voor, zei hij. Oost-Duitse schrijvers kwamen naar Katlenburg. Ze wisten dat hun verhalen of gedichten gedrukt waren zonder dat ze ooit zelf één exemplaar in handen hadden gekregen, laat staan dat een boekhandel ze in voorraad had. Hun fraai uitgegeven boeken waren jaren ongelezen in het centrale boekhuis bij Leipzig blijven liggen en na de Wende rechtstreeks op het stort beland. Weskott weigert de boeken te verkopen. Boeken zijn geen koopwaar, zegt hij. Ik schenk een boek, de voorbijganger schenkt geld. Het geld gaat naar Brot für die Welt, dat is de ontwikkelingshulp van de lutherse kerk. Zo komt, dankzij de literatuur, uit deze graanschuren weer brood om de hongerigen te spijzen. Vorig jaar belde Martin Weskott me op. Ik herkende zijn stem onmiddellijk. Hij had mijn boek over Duitsland gelezen, zei hij, hij vond de vertaling van Marlene Müller-Haas uitstekend en hij wilde dat ik iets kwam voorlezen in zijn parochiezaal. Hij had me destijds verteld dat hij literaire bijeenkomsten organiseerde in Katlenburg, eerst alleeen met de Oost-Duitse auteurs van wie hij boeken gered had, later kwamen daar anderen bij. Ik dus, vorig jaar. Ik was zeer vereerd. Ik rijd spoorslags naar Katlenburg, naar zijn pastorie, een peperkoekenhuisje, zo uit een sprookjesboek van Grimm. Predikant Weskott zelf is tegelijk sprookje en echt, zeer, zéér echt. Met rechtmatige trots laat hij me opnieuw binnen in de tiendenschuur. Hij heeft niet stilgezeten. De boeken staan nu netjes gerangschikt in gigantische rekken, tien planken hoog. Het blijft voor een schrijver een onvergetelijk gezicht. Ik zou liegen als ik zei dat ik even verbijsterd was als de eerste keer, maar ik moet ook nu toch weer iets wegslikken. Waar blijven de boeken toch vandaan komen? Kort nadat de Leipziger Volkszeitung melding had gemaakt van Weskotts reddingsactie, reden bulldozers de Oost-Duitse vuilnisbelten op om de duizenden exemplaren die er nog lagen onder te graven. Vandaag redt Weskott de boeken die ten offer vallen aan die vernietigende obsessie van ons kapitalisme: het weggooien. Ik vertel hem dat in mijn taalgebied, het Nederlandse, een boek, ook een goed boek, ook een schitterend boek, een omlooptijd heeft van gemiddeld drie maanden. Het verbaast hem niet. ’s Avonds lees ik voor uit de Duitse versie van Mijn Duitsland. In de parochiezaal. Voor twintig mensen. Ze hangen aan mijn lippen, ze willen nauwkeurig weten wat ik, de schrijver uit het minuscule buurstaatje België, vind van hun Duitsland, van zijn schuld en zijn pracht. Het was de mooiste lezing die ik ooit gaf. Mijn boeken gaan naar de ramsj, niet naar het stort. Eigenlijk mag ik dus van geluk spreken. Maar het gevolg is dat ik, helaas, helaas, geen aanspraak kan maken op de eretitel die predikant Weskott in Katlenburg uitreikt aan schrijvers van weggegooide boeken: Müllliterat. Vuilnisschrijver. Waste Writer, Ecrivain Ordure, Escritor Basura. Het lijkt me iets voor een nieuwe prijs, jaarlijks uitgereikt door PEN International.